Waarom op je handen zitten soms de grootste daad van liefde is.

Laatst zat ik tegenover een moeder die vertelde dat haar zoon zijn kleedgeld alweer had opgemaakt. Niet aan kleding natuurlijk. Dat zou het verhaal minder interessant maken. Het geld was opgegaan aan eten, drinken, uitjes en allerlei andere dingen die op dat moment belangrijker leken dan een winterjas. McDonald's had weer goed verdiend.

"En nu?" vroeg ze me.

Ik moest even grinniken, omdat ik haar vraag zo goed begreep. Niet omdat het grappig was. Maar omdat ik mezelf erin herkende. Ik leef zelf met pubers samen in één huis. Dit gebeurt hier ook, want dat is wat pubers doen.

Ze nemen beslissingen waarvan je als ouder soms al weet hoe ze gaan aflopen. Je ziet het gebeuren. Soms zelfs weken van tevoren. En terwijl je kijkt, ontstaat er ergens in jezelf een soort onrust. Je wilt iets zeggen. Iets uitleggen. Iets voorkomen.

Misschien is dat wel een van de meest herkenbare ervaringen van ouders van pubers. Je ziet de trein aankomen. Je weet waar hij heen rijdt. En toch moet je soms blijven staan. Of beter gezegd: je moet op je handen gaan zitten.

Dat klinkt heel logisch. Totdat het je eigen kind is. Ik merk dat ook bij mezelf. Wat kan het lastig zijn om op je handen te blijven zitten.

Als systeemtherapeut praat ik regelmatig met ouders over verantwoordelijkheid. Over loslaten. Over natuurlijke gevolgen. Over het belang van fouten maken. Het zijn allemaal woorden die logisch klinken zolang er geen eigen kind tegenover je staat dat boos, verdrietig of teleurgesteld is.

Dan wordt het ineens een ander verhaal. Dan kan het pubergeweld over je heen worden uitgestort waarbij blijven staan soms een hele opgave lijkt. Ik ben er bekend mee.

Want uiteindelijk gaat het helemaal niet over die winterjas. Of over het kleedgeld. Of over een boete, omdat een puber besloot zwart met de bus te rijden terwijl er gewoon een fiets klaarstond.

Het gaat over iets anders. Het gaat over onze neiging om te helpen. En misschien nog wel meer over onze moeite om niet te helpen. Ik denk dat we dat laatste onderschatten. Ik heb dit onderschat.

Ik geloof namelijk helemaal niet dat ouders hun kinderen te veel helpen omdat ze controlerend zijn. Integendeel. Volgens mij helpen ouders te veel omdat ze liefhebben.

Dat is precies wat het zo ingewikkeld maakt.

Je ziet je kind worstelen. Je ziet verdriet. Je ziet schaamte. Je ziet paniek. Soms gun je ze ook gewoon iets. Ondertussen voel je in jezelf de behoefte ontstaan om het op te lossen, te helpen of te gunnen.

Dat is liefde.

Maar als ik eerlijk ben, denk ik dat liefde niet het hele verhaal is.

Soms helpen we niet alleen omdat ons kind het moeilijk heeft. Soms helpen we ook omdat wij het moeilijk hebben. Omdat we de teleurstelling van ons kind nauwelijks kunnen verdragen. Omdat we het lastig vinden als ons kind boos op ons is. Omdat we ons machteloos voelen. Omdat we niet willen dat anderen denken dat we tekortschieten als ouder. Of omdat we diep van binnen hebben besloten dat onze kinderen niet hoeven mee te maken wat wij vroeger hebben meegemaakt.

Dat is geen verwijt. Dat is menselijk.

Maar het maakt wel dat ik mezelf steeds vaker afvraag: voor wie los ik dit eigenlijk op? Voor mijn kind? Voor mezelf? Of misschien voor allebei?

Veel ouders van pubers zijn opgegroeid in een generatie waarin zelfstandigheid vanzelfsprekender was. We moesten veel zelf uitzoeken. We leerden door vallen en opstaan. Soms was dat goed voor ons. Soms niet. Maar het heeft ons wel gevormd. We hebben geleerd om van alles en nog wat op te lossen.

Misschien is het juist daarom dat we onze kinderen iets anders willen geven. Meer betrokkenheid. Meer aandacht. Meer ondersteuning. Meer aanwezigheid.

Dat is op zichzelf natuurlijk prachtig. Alleen zie ik in mijn praktijk ook iets anders gebeuren. Soms zijn we zo betrokken dat het moeilijk wordt om onze kinderen ervaringen te gunnen die hen juist kunnen helpen groeien.

En dat is precies het moment waarop op je handen zitten zo moeilijk wordt. Op je handen zitten betekent niet dat je niets doet. Dat is misschien wel het grootste misverstand.

Je kunt tegen een puber zeggen dat je ziet hoe moeilijk iets is. Dat je begrijpt dat hij baalt. Dat je de teleurstelling begrijpt. Dat je de boosheid zelfs begrijpt. Zonder vervolgens de consequentie weg te halen.

Dat klinkt eenvoudig. Ik vind het eerlijk gezegd één van de moeilijkste dingen die er bestaan. Je puber erkenning geven is iets anders dan redden. Sterker nog, soms vraagt echte erkenning juist dat je niet gaat redden.

Verantwoordelijkheid kan ook gezien worden als iets wat mensen moeten leren dragen. Niet omdat het leven eerlijk is. Niet omdat alles een les moet zijn. Maar omdat vertrouwen in jezelf groeit wanneer je ontdekt dat je meer kunt dragen dan je dacht. Wanneer ouders voortdurend verantwoordelijkheden overnemen die eigenlijk bij hun kinderen horen, doen ze dat meestal uit liefde. Alleen krijgt een jongere daardoor minder gelegenheid om zijn eigen draagkracht te leren kennen en daarmee ook aan zijn ouders te laten zien dat hij het wel degelijk kan.

Misschien is dat ook wel wat volwassen worden is. Dat een jongere steeds meer zelf leert dragen. Niet omdat ouders minder belangrijk worden, maar omdat zij steeds minder hoeven over te nemen. Verantwoordelijkheid leren dragen is daarmee niet alleen een ontwikkelingstaak van pubers. Het is ook een manier waarop zij hun ouders laten zien: ik kan meer dan jullie misschien denken.

Als ouders kunnen we in de valkuil stappen dat we willen controleren en straffen. Die voel ik zelf ook met regelmaat. Alleen het gaat niet over harder straffen of meer controleren. Ouder zijn gaat over aanwezig blijven. Over ouders die zichtbaar blijven zonder alles over te nemen. Niet: 'zoek het maar uit'. Maar ook niet: 'ik los het voor je op'. Eerder iets als: 'Ik zie dat dit moeilijk is. Ik blijf beschikbaar. En ik geloof dat jij meer kunt dan je nu denkt.'

Toch krijg ik regelmatig de vraag hoe dat er dan concreet uitziet.

Neem een puber die niet mee wil naar de tandarts. Hij heeft andere plannen. En eerlijk is eerlijk, jij hebt ook niet gevraagd of hij kon toen de afspraak werd gemaakt. De vorige keer bleef hij thuis. De tandarts was daar niet blij mee en uiteindelijk heb je afgesproken dat een volgende no-show voor zijn rekening komt.

Dan ontstaat dezelfde situatie opnieuw. Je puber wil niet mee.

Op zo'n moment probeer ik de verantwoordelijkheid terug te leggen waar die hoort. Je kunt meegaan naar de afspraak. Of je kiest ervoor om niet te gaan en dan betaal je zelf de rekening. Dat is je keuze.

Daarna begint voor mij vaak het moeilijkste deel. Niet de keuze van mijn puber. Maar het loslaten. Niet blijven overtuigen. Niet elke dag opnieuw het gesprek voeren. Niet alsnog redden wanneer de rekening binnenkomt. De keuze is van hem. Net als de gevolgen.

Volgens mij is dat wat op je handen zitten in de praktijk betekent.

Dat laatste vind ik persoonlijk nog steeds ingewikkeld, want ik houd niet van machteloosheid. Ik houd er niet van om te zien dat mijn kinderen pijn hebben. Ik houd er niet van om te wachten tot een kwartje valt dat naar mijn gevoel allang had kunnen vallen.

En misschien is dat precies waarom op je handen zitten zo moeilijk is. Niet omdat je niets doet. Maar omdat je ondertussen ontzettend veel doet. Je blijft aanwezig. Je blijft luisteren. Je blijft erkennen. Je blijft beschikbaar. En misschien nog wel belangrijker: je verdraagt wat er in jezelf gebeurt. Je onrust. Je twijfel. Je machteloosheid. Je behoefte om in te grijpen. Je liefde.

Hoe langer ik met ouders werk, hoe meer ik ga geloven dat de puberteit twee ontwikkelingstaken kent. De eerste is voor de puber: leren verantwoordelijkheid, gevolgen en teleurstellingen dragen. De tweede is voor ouders: leren verdragen.

Misschien is dat wel wat op je handen zitten werkelijk betekent. Misschien is dat precies waarom het soms de grootste daad van liefde is.

Referenties

Boszormenyi-Nagy, I., & Krasner, B. R. (1994). Tussen geven en nemen: Over contextuele therapie.

Feldman, R. S. (2018). Ontwikkelingspsychologie I: De levensloop van de mens.

Monks, F. J., & Knoers, A. M. P. (2014). Ontwikkelingspsychologie.

Omer, H., & Wiebenga, E. (2015). Verbindend gezag: Anders aanwezig zijn als ouder.

Tot slot

De voorbeelden in dit artikel zijn een combinatie van eigen ervaringen als moeder en situaties die ik in mijn praktijk tegenkom. Om de anonimiteit van mijn kinderen, gezinnen en cliënten te beschermen, heb ik verhalen samengevoegd en details aangepast. Het gaat daarom niet om één specifieke gebeurtenis, maar om herkenbare worstelingen waar veel ouders van pubers mee te maken krijgen.

Volgende
Volgende

De woorden die later kwamen