De twee eilanden
Ze zitten tegenover elkaar, maar het voelt ver uit elkaar.
“Het stroomt gewoon niet meer,” zegt zij.
Hij knikt.
Geen ruzie.
Geen escalatie.
Alleen afstand die zich langzaam heeft opgebouwd.
Ze vertellen over hun dagen. Werk, kinderen, alles wat geregeld moet worden.
Het klopt. Alles loopt.
Maar niets beweegt.
In de eerste sessies kom ik er niet goed bij.
Elk gesprek glijdt terug naar de ander.
Wat hij niet doet.
Wat zij te veel doet.
“Ik ben klaar met hoe hij met dingen omgaat,” zegt zij.
“Zie je, het ligt altijd aan mij,” zegt hij.
En daar zitten ze weer.
Ik probeer te vertragen, maar het lukt niet altijd.
Soms ook bij mij niet.
Want er ligt veel.
Te veel misschien om snel bij te kunnen.
Als ik haar vraag wat er gebeurt wanneer hij stilvalt, zegt ze eerst:
“Dan moet ik alles dragen.”
Pas later, zachter:
“Dan voel ik me alleen.”
Hij kijkt op. Heel even.
Maar het moment is klein en zo weer weg.
In een andere sessie zegt hij:
“Ik hoor alleen dat ik het fout doe. Dan denk ik: laat maar.”
Het zijn openingen.
Maar geen doorbraken.
De sessie daarna zitten ze er weer hetzelfde bij.
Alsof het niet meegaat.
En soms denk ik:
komen we hier wel bij?
Niet omdat ze niet willen,
maar omdat er zoveel achterstallig onderhoud ligt.
Te veel gemiste momenten.
Te veel pijn die in de weg zit.
Naar jezelf kijken is moeilijk
als de ander je al zo vaak geraakt heeft.
Alsof het oneerlijk is
om daar ook nog eens te moeten beginnen.
En toch…
af en toe verschuift er iets kleins.
“Ik ben er moe van,” zegt zij op een dag.
Niet boos.
Hij knikt.
“Ik ook.”
Geen oplossing.
Geen herstel.
Maar heel even staan ze niet tegenover elkaar.
Twee eilanden,
die nog niet weten hoe de brug eruitziet —
maar ook nog niet zijn weggegaan.
En dat is, voor nu,
genoeg om te blijven zoeken.