De terugtrekker en de
“Hij klapt dicht.”
“Zij blijft maar doorgaan.”
Ze praten over elkaar.
En terwijl ze dat doen, voel ik hoe verleidelijk het is om mee te bewegen met haar tempo, haar woorden, haar intensiteit.
Maar ik probeer óók bij hem te blijven.
Zijn stilte is geen leegte — het is taal.
Ik vraag hem:
“Wat gebeurt er in jou wanneer zij boos wordt?”
Hij kijkt naar zijn handen.
“Ik hoor dat ik het weer fout doe.”
Zij fronst, zichtbaar verrast.
Niet omdat ze het afwijst, maar omdat dit helemaal niet het script is dat zij in haar hoofd had.
Ik draai me naar haar.
“Wat gebeurt er in jou wanneer hij stil wordt?”
“Dan voel ik me alleen,” zegt ze.
Haar stem zakt een beetje.
En ineens wordt het helder: het is geen boosheid, geen koppigheid, geen onwil.
Het is angst. Bij beiden.
Langzaam tekenen de patronen zich af.
Haar protest is eigenlijk een roep om nabijheid.
Zijn terugtrekken is een manier om veiligheid te bewaren.
Ze kijken elkaar aan.
“Ik dacht dat je me negeerde.”
“Ik dacht dat jij me afwees.”
In de stilte die volgt adem ik even met hen mee.
Dit zijn de momenten waarvan ik als therapeut hoop dat ze ontstaan — klein, kwetsbaar, echt.
Geen grote doorbraak, geen applauswaardig inzicht.
Maar twee mensen die elkaar niet meer zien als tegenstanders.
Ze zijn geen vijanden.
Ze waren elkaar kwijtgeraakt in hun manieren van beschermen.